De
hoeveelheid ijzer in het lichaam van een gezonde volwassene bedraagt
3 tot 5 gram. Ongeveer 70 % daarvan komt voor in het hemoglobine, 3,3%
in myoglobine, 0,3% in enzymen en 0,1% bevindt zich aan transferrine
gebonden in het bloedplasma en in weefselvloeistoofen(dit deel wordt
transportijzer genoemd). De rest, het depotijzer, is opgeslagen in de
reticulo-endotheliale cellen van onder nadere de lever, het beenmerg,
de milt en het darmslijmvlies, in de vorm van ferritine en hemosiderine.
Omdat de molecuulmassa van het hemoglobinemonomeer gelijk is aan 16114
en de atoommassa van ijzer glijk is aan 55.847, is het ijzergehalte
in het hemoglobinemolecuul gelijk aan 3,4632 mmol /mol Hb.
Transferrine is een glycoproteëne (beta-globuline), waarvan de
molecuulmassa 79550 is en dat per molecule twee atomen driewaardig ijzer
kan binden. Het transferrine-ijzercomplex is rose gekleurd. Het wordt
in de lever geproduceerden fe halveringstijd (dit is de tijd waarin
de helft van het transferrine wordt gebruikt) bedraagt ongeveer negen
dagen. In het lichaam van een volwassene komt tussen 7 en 15 gram transferrine
voor.
Ferritine bestaat uit een eiwit (apoferritine) met een molecuulmassa
van ongeveer 445000, waaraan ongeveer 2,5 mmol ijzel per mol apoferritine
is gebonden, hetgeen overeenkomt met circa 17% van de totale hoeveelheid
ijzer. Het ferritine komt hoofdzakelijk voor in milt, lever en darmslijmvlies.
In het bloedplasma komt zo weinig ferritine voor, dat dit slechts kan
worden bepaald met behulp van methoden die gebruik maken van tegen ferritine
gerichte antistoffen (b.v. een immuunenzymatische methode:ELISA)
Over het algemeen neemt men aan dat erv een verband bestaat tussen de
ferritineconcentratie in het plasma en de hoeveelheid vorraad-ijzer
(1 picomol ferritine zou overeenkomen met een voorraad van 65 u mol
ijzer).
Over de ondergrens van de referentiewaarden bestaat echter onzekerheid
(bij vrouwen variëren de in de literatuur vermelde ondergrenzen
tussen 4 en 34 u g/l (of 9 en 76 pmol /l) en bij mannen tussen 14 en
112 u g/l (of 31 en 251 pmol/l), zodat men met de interpretatie voorzichtig
moet zijn. Daarom is het ook van belang om bij een uitslag steeds de
referentiewaarden te vermelden. Bovendien moet er rekening mee worden
gehouden dat deze voor mannen en vrouwen verschillend zijn.
Vlak
na de geboorte bevat het lichaam ongeveer 1,5 mmol ijzer per kg lichaamsgewicht.
Tijdens de groei neemt de hoeveelheid ijzer relatief af, zodat bij een
volwassene nog slechts tussen 0,8 en 1,1 mmol ijzer per kg lichaamsgewicht
aanwezig is. Dagelijks vereist het lichaam via nieren, darm en huid
bij de man 9 u mol tot 26 u mol ijzer, terwijl vrouwen door de menstruatie
gemiddeld ongeveer 1 mg per dag meer verliezen.
Dagelijks moet die hoeveelheid uit de voeding worden opgenomen. Tijdens
de zwangerschap, de bevalling en de borstvoeding, gaat 7,2 tot 16mmol
ijzer extra verloren, zodat onder die omstandigheden dagelijks 72 tot
145 mmol ijzer moet worden opgenomen. Kinderen hebben eveneens een grotere
behoefte aan ijzer door het toenemen van het lichaamsgewicht.
Het ijzer wordt als tweewaardig ion voornamelijk geresorbeerd in de
twaalfvingerige darm. Het in de voeding aanwezige driewaardig ijzer
moet daarom eerst worden omgezet in tweewaardig ijzer. Dit wordt bevorderd
door de hoge zuurgraad in de maag. Na de opname uit de darm wordt het
ijzer weer omgezet in het driewaardig ion en aan transferrine gebonden.
Dit vervoert het ijzer naar plaatsten waar het gebruikt wordt en naar
depots, waar het gebonden aan ferritine of hemosiderine wordt opgeslagen.
De ijzerconcentratie in het plasma ligt bij de mannen tussen 16 en 33
u mol/l (gemiddeld 22u mol/l) en bij vrouwen tussen 12 en 27 u mol/l
(gemiddeld 19 u mol/l).
Bij kinderen is de ijzerconcentratie enkele dagen na de geboorte het
laagst (ongeveer 9 u mol/l), stijgt dan , om vervolgens weer te dalen,
zodat de ijzerconcentratie na een halfjaar ongeveer 13,5 u mol/l plasma
is. Tijdens de verdere groei stijgt de concentratie geleidelijk, tot
in de puberteit waarden worden bereikt als bij volwassenen.
In het beenmerg worden per dag ongeveer 350 u mol ijzer gebruikt voor
de haemsynthese. De opname van ijzer door de erytroblasten geschiedt
onafhankelijk van de haem-productie en neemt af naarmate de erytroblasten
rijper worden. Door de reticulocyten wordt nog maar weinig ijzer opgenomen
en door rijpe erytrocyten in het geheel niet.
Om
inzicht te krijgen in de ijzerstofwisseling worden de latente ijzerbindingscapaciteit
(LIJBC) en de totale ijzerbindingscapaciteit (TIJBC) bepaald. Normaliter
is het transferrine voor ongeveer een derde met ijzer verzadigd. Om
een indruk te krijgen over de ijzervoorraad in de depots wordt de ferriiitineconcentratie
gebruikt.
Bij gebrek aan ijzer is de ijzerconcentratie in het plasma (serum) afgenomen
(b.v. tot 7 u mol/l). Als gevolg van het ijzergebrek kan de aanmaak
van transferrine toenemen, waardoor de TIJBC toeneemt (b.v. tot 80 u
mol/l plasma). Door de combinatie van beide effecten kan de LIJBC (in
het voorbeeld van 73 u mol ijzer/l) hoger zijn dan normaal.
Bij chronische infectie en andere chronische aandoeningen is de aanmaak
van transferrine verminderd terwijl ijzer minder gemakkelijk uit de
depots kan worden vrijgemaakt. In die gevallen is zowel de ijzerconcentratie
als de LIJBC verminderd.
Bij thalassemiën kan een verhoogde ijzerconcentratie (b.v. 36 u
mol /l) in het serum worden vastgesteld, met een iets
verminderde TIJBC (b.v. tot 45 u mol/l), waardoor de LIJBC sterk verlaagd
is (in het voorbeeld tot 9 u mol/l).